Engelse woordvolgorde
De standaard regel voor de woordvolgorde in het Engels is: onderwerp - gezegde - lijdend voorwerp, oftewel Subject - Verb - Object. Maar op welke plaats komt dan een bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een meewerkend voorwerp? Dat vertellen we je hieronder.
Adverbs - bijwoorden
Een bijwoord kan op drie plaatsen staan:
Daarmee is helaas niet gezegd dat ieder bijwoord ook op alle drie de plaatsen kan staan. Het werkt als volgt:
[1] De bekendste bijwoorden die aan het begin van een zin kunnen staan zijn de bijwoorden van bepaalde tijd, oftewel de tijdsbepalingen.
Deze bijwoorden kunnen ook aan het einde van een zin staan, maar nooit in het midden.
Dan zijn er ook nog bijwoorden van onbepaalde tijd. Die staan nooit aan het begin, maar wel in de middenpositie.
Voorbeelden van deze bijwoorden zijn:
[2] De meeste bijwoorden kunnen in het midden van een zin staan.
En de meeste daarvan kunnen ook aan het einde staan.
Bijwoorden die niet in het midden van een zinsdeel kunnen staan zijn:
Over het algemeen staan de bijwoorden vòòr het werkwoord.
Maar is het werkwoord am, is, are, was of were, dan komen ze achter het werkwoord.
En als er hulpwerkwoorden gebruikt worden, dan komt het bijwoord na het eerste hulpwerkwoord.
[3] De meeste bijwoorden kunnen aan het einde van een zin of zinsdeel staan. Als er meerdere bijwoorden worden gebruikt, is de volgorde:
- 1. aan het begin van een zin,
- 2. ergens 'in het midden' van een zin,
- 3. aan het einde van een zin.
Daarmee is helaas niet gezegd dat ieder bijwoord ook op alle drie de plaatsen kan staan. Het werkt als volgt:
[1] De bekendste bijwoorden die aan het begin van een zin kunnen staan zijn de bijwoorden van bepaalde tijd, oftewel de tijdsbepalingen.
Deze bijwoorden kunnen ook aan het einde van een zin staan, maar nooit in het midden.
Dan zijn er ook nog bijwoorden van onbepaalde tijd. Die staan nooit aan het begin, maar wel in de middenpositie.
Voorbeelden van deze bijwoorden zijn:
[2] De meeste bijwoorden kunnen in het midden van een zin staan.
En de meeste daarvan kunnen ook aan het einde staan.
Bijwoorden die niet in het midden van een zinsdeel kunnen staan zijn:
- - bijwoorden die een vaste tijd aangeven »
- - bijwoorden die een plaats aangeven »
- - bijwoorden die aangeven hoe goed iets is gedaan »
Over het algemeen staan de bijwoorden vòòr het werkwoord.
Maar is het werkwoord am, is, are, was of were, dan komen ze achter het werkwoord.
En als er hulpwerkwoorden gebruikt worden, dan komt het bijwoord na het eerste hulpwerkwoord.
[3] De meeste bijwoorden kunnen aan het einde van een zin of zinsdeel staan. Als er meerdere bijwoorden worden gebruikt, is de volgorde:
- - eerst de bijwoorden die iets zeggen over het hoe »
- - dan de bijwoorden die iets zeggen over het waar »
- - en tenslotte de bijwoorden die iets zeggen over wanneer »
Yesterday I got up late.
Once I wanted to be a doctor.
In January it hardly snowed.
I got up late yesterday.
I wanted to be a doctor once.
I never get up late
I always wanted to be a doctor.
Have you ever seen such rubbish?
never, always, seldom, often, frequently, rarely, already, sometimes, soon, generally, usually.
I don't at all agree.
I angrily walked out of the room.
I don't agree at all.
I walked out of the room angrily.
Yesterday, today, last year, etc.
Outside, inside, northwards, etc.
Well, badly, brilliantly, hopelessly.
She suddenly stood up.
I often go hang-gliding.
She is often late.
I was never happy with her.
We have always lived in this house.
This job will never be finished.
I worked hard.
I worked hard at the ranch.
I worked hard at the ranch yesterday.
They've probably forgotten her.
I definitely saw her.
Perhaps it'll storm tomorrow.
Surely you don't think she's beautiful.
Adjectives - bijvoeglijke naamwoorden
[1] meteen voor het zelfstandig naamwoord komen de bijvoeglijke naamwoorden die zeggen waarvoor iets is, wat het doel is.
[2] daarvoor komen de bijvoeglijke naamwoorden die zeggen waarvan iets gemaakt is.
[3] dan komen de bijvoeglijke naamwoorden die iets zeggen over de afkomst.
[4] vervolgens is het de beurt aan de kleuren.
[5] en als laatste (of eigenlijk als eerste) komen de woorden die iets zeggen over:
[2] daarvoor komen de bijvoeglijke naamwoorden die zeggen waarvan iets gemaakt is.
[3] dan komen de bijvoeglijke naamwoorden die iets zeggen over de afkomst.
[4] vervolgens is het de beurt aan de kleuren.
[5] en als laatste (of eigenlijk als eerste) komen de woorden die iets zeggen over:
- - leeftijd »
- - vorm »
- - grootte »
- - temperatuur »
A tennis racket.
A conference centre.
A steel and nylon tennis racket.
A brick conference centre.
A plastic garden chair.
A Venetian glass ashtray.
Spanish leather riding boots.
A Chinese wooden writing desk.
A green Venetian glass ashtray.
Brown Spanish leather riding boots.
Old brown Spanish leather riding boots.
A round green Venetian glass ashtray.
A big Chinese wooden writing desk.
A cold German beer.
A big cold German beer.
A cold big German beer.
Indirect object - meewerkend voorwerp
[1] Het meewerkend voorwerp komt in het Engels meestal voor het lijdend voorwerp. Een meewerkend voorwerp is bijna altijd een persoon.
[2] Je kan het meewerkend voorwerp echter ook achter het lijdend voorwerp zetten. Dan komt er een voorzetsel bij. Vaak is dat for of to.
Dit gebeurt om het meewerkend voorwerp wat meer nadruk te geven.
En als je it gebruikt als lijdend voorwerp komt het meewerkend voorwerp er altijd achter
[3] Bij de werkwoorden explain, describe, say, mention, suggest en prove gebruik je altijd to voor het meewerkend voorwerp.
[2] Je kan het meewerkend voorwerp echter ook achter het lijdend voorwerp zetten. Dan komt er een voorzetsel bij. Vaak is dat for of to.
Dit gebeurt om het meewerkend voorwerp wat meer nadruk te geven.
En als je it gebruikt als lijdend voorwerp komt het meewerkend voorwerp er altijd achter
[3] Bij de werkwoorden explain, describe, say, mention, suggest en prove gebruik je altijd to voor het meewerkend voorwerp.
He gave his girlfriend a handycam.
I'll lend you some money.
I bought this cd for my friend.
He gave a handycam to his girlfriend.
He bought the camera for you, not for me.
He bought it for you, not for me.
Can you explain this to me.
He described to me how it went.
He said some mean things to her.
He mentioned it to me.
I suggested a solution to her.
Can you prove that to us?




