Engelse tijden
Het Engels heeft eigenlijk maar twee tijden: de tegenwoordige tijd (present tense) en de verleden tijd (past tense). En die tijden komen maar in twee vormen voor: de bedrijvende vorm (active voice) en de lijdende vorm (passive voice).
That's it.
Alle andere tijden zijn daar variaties op. Zelfs de toekomende tijd (future tense). Het enige wat je doet is er wat hulpwerkwoorden bijplakken. Hieronder staan alle mogelijkheden op een rijtje en als je op de paarse link klikt, krijg je uitleg over het gebruik van de betreffende vorm.
The English Tenses
present tense
ACTIVE VOICE
past tense
I am selling iPods
I have sold iPods
I have been selling iPods
I will sell iPods
I will be selling iPods
I will have sold iPods
I was selling iPods
I had sold iPods
I had been selling iPods
I would sell iPods
I would be selling iPods
I would have sold iPods
present tense
PASSIVE VOICE
past tense
iPods are being sold
iPods have been sold
iPods will be sold
iPods will have been sold
iPods were being sold
iPods had been sold
iPods would be sold
iPods would have been sold
De tijden Nederlands-Engels
Tegenwoordige tijd
voltooid tegenwoordige tijd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
voltooid tegenwoordige toekomende tijd
Verleden tijd
voltooid verleden tijd
onvoltooid verleden toekomende tijd
voltooid verleden toekomende tijd
Oefen de tijden
Present Simple/Continuous: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5
Present Perfect/Continuous: oefening 6 | oefening 7 | oefening 8 | oefening 9 | oefening 10
Past Simple/Continuous: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5
Past Perfect/Continuous: oefening 6 | oefening 7 | oefening 8 | oefening 9 | oefening 10
Future Going to/Will: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5
Future Continuous/Would: oefening 6 | oefening 7 | oefening 8 | oefening 9 | oefening 10




