Onregelmatige werkwoorden Engels
Er zijn ruim 400 onregelmatige werkwoorden in het Engels. Die hoef je echt niet allemaal te kennen, want veel daarvan wordt nauwelijks meer gebruikt. Dan blijven er nog zo'n 167 over. Als je die uit je hoofd kent, tel je mee.
Maar wat is nu de handigste manier om de vervoegingen te leren? Je kan de werkwoorden natuurlijk alfabetisch uit je hoofd leren, maar je kan ze ook ordenen op vorm en klank. En dat hebben we hieronder voor je gedaan. Het is niet wat je gewend bent, maar zo zijn ze wel makkelijker te onthouden. Lees ze maar eens hardop en feel the rhythm.
Meer over het vervoegen van de Engelse werkwoorden vind je hier.
Alle vormen zijn hetzelfde
infinitive
cast
broadcast
forecast
shed
spread
wed
bet
let
set
sweat
upset
wet
bid
rid
fit
hit
knit
slit
quit
cost
burst
hurt
cut
thrust
put
input
simple past
cast
broadcast
forecast
shed
spread
wed
bet
let
set
sweat
upset
wet
bid
rid
fit
hit
knit
slit
quit
cost
burst
hurt
cut
thrust
put
input
past participle
cast
broadcast
forecast
shed
spread
wed
bet
let
set
sweat
upset
wet
bid
rid
fit
hit
knit
slit
quit
cost
burst
hurt
cut
thrust
put
input
werpen
uitzenden*
voorspellen*
afschudden
spreiden
trouwen*
wedden
laten
zetten
zweten*
overstuur maken
nat maken*
bieden
van af helpen*
passen*
raken
breien*
snijden
opgeven
kosten
barsten
pijn doen
snijden
stoten
zetten
invoeren*
* deze hebben ook een regelmatige vorm, dus met -ed.
De 2e en 3e vorm zijn hetzelfde
infinitive
bend
lend
send
spend
bind
find
grind
wind
unwind
bleed
breed
feed
flee
lead
read
say
hold
creep
deal
dream
feel
dwell
keep
mean
meet
leave
leap
sleep
weep
sweep
bring
buy
fight
seek
think
catch
teach
build
light
slide
split
cling
fling
sling
sting
wring
swing
make
lay
pay
dig
hang
shut
spin
stick
win
shine
win
spit
sit
have
burn
sell
tell
lose
shoot
get
hear
stand
understand
simple past
bent
lent
sent
spent
bound
found
ground
wound
unwound
bled
bred
fed
fled
led
read (like 'red')
said
held
crept
dealt
dreamt
felt
dwelt
kept
meant
met
left
leapt
slept
wept
swept
brought
bought
fought
sought
thought
caught
taught
built
lit
slid
split
clung
flung
slung
stung
wrung
swung
made
laid
paid
dug
hung
shut
spun
stuck
won
shone
won
spat
sat
had
burnt
sold
told
lost
shot
got
heard
stood
understood
past participle
bent
lent
sent
spent
bound
found
ground
wound
unwound
bled
bred
fed
fled
led
read (like 'red')
said
held
crept
dealt
dreamt
felt
dwelt
kept
meant
met
left
leapt
slept
wept
swept
brought
bought
fought
sought
thought
caught
taught
built
lit
slid
split
clung
flung
slung
stung
wrung
swung
made
laid
paid
dug
hung
shut
spun
stuck
won
shone
won
spat
sat
had
burnt
sold
told
lost
shot
got / gotten
heard
stood
understood
buigen
lenen
sturen
uitgeven
binden
vinden
malen
opwinden
ontspannen
bloeden
fokken
voeden
vluchten
leiden
lezen
zeggen
houden
kruipen
uitdelen
dromen*
voelen
wonen
houden
bedoelen
ontmoeten
vertrekken
springen
slapen
huilen
vegen
brengen
kopen
vechten
zoeken
denken
vangen
leren
bouwen
aansteken
glijden
splijten
kleven
een slinger geven
werpen
steken
uitwringen
swingen
maken
leggen
betalen
graven
hangen
sluiten
spinnen
kleven
winnen
schijnen*
winnen
sputen
zitten
hebben
branden*
verkopen
vertellen
verliezen
schieten
krijgen
horen
staan
begrijpen
* deze hebben ook een regelmatige vorm, dus met -ed.
Alle vormen zijn anders
infinitive
begin
drink
ring
sing
swim
sink
spring
shrink
stink
arise
drive
rise
ride
stride
strive
write
awake
break
choose
speak
steal
blow
fly
grow
know
throw
bear
tear
swear
wear
do
undo
forbid
forgive
give
freeze
wake
weave
become
come
bite
hide
forget
get
forsake
mistake
partake
shake
take
undertake
mow
show
sow
sew
shave
prove
draw
withdraw
simple past
began
drank
rang
sang
swam
sank
sprang
shrank/ shrunk
stank
arose
drove
rose
rode
strode
strove
wrote
awoke
broke
chose
spoke
stole
blew
flew
grew
knew
threw
bore
tore
swore
wore
did
undid
forbade
forgave
gave
froze
woke
wove
became
came
bit
hid
forgot
got
forsook
mistook
partook
shook
took
undertook
mowed
showed
sowed
sewed
shaved
proved
drew
withdrew
past participle
begun
drunk
rung
sung
swum
sunk
sprung
shrunk
stunk
arisen
driven
risen
ridden
stridden
striven
written
awoken
broken
chosen
spoken
stolen
blown
flown
grown
known
thrown
born / borne
torn
sworn
worn
done
undone
forbidden
forgiven
given
frozen
woken
woven
become
come
bitten
hidden
forgotten
gotten / got
forsaken
mistaken
partaken
shaken
taken
undertaken
mown
shown
sown
sewn
shaven
proven
drawn
withdrawn
beginnen
drinken
bellen
zingen
zwemmen
zinken
ontspringen
krimpen
stinken
opstijgen
rijden
rijzen
rijden
schrijden
streven*
schrijven
wakker worden
bereken
kiezen
spreken
stelen
blazen
vliegen
groeien
weten
gooien
doorstaan
scheuren
schelden
dragen
doen
ongedaan maken
verbieden
vergeven
geven
vriezen
wakker maken*
weven*
worden
komen
bijten
verstoppen
vergeten
krijgen
in de steek laten
verwarren
deelnemen
schudden
nemen
ondernemen
maaien*
tonen*
zaaien*
naaien*
scheren
bewijzen*
tekenen
terugtrekken
* deze hebben ook een regelmatige vorm, dus met -ed.
De eenlingen
infinitive
be
beat
dive
eat
fall
go
lie
run
saw
see
slay
strike
swell
tread
simple past
was, were
beat
dove
ate
fell
went
lay
ran
sawed
saw
slew
struck
swelled
trod
past participle
been
beaten
dived
eaten
fallen
gone
lain
run
sawn
seen
slain
stricken
swollen
trodden
zijn
slaan
duiken*
eten
vallen
gaan
liggen
rennen
zagen*
zien
moorden
doorstrepen
opzwellen*
treden*
* deze hebben ook een regelmatige vorm, dus met -ed.
Oefen de onregelmatige werkwoorden
Irregular Verbs: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5




