Engelse -ing vorm
De -ing vorm komt op drie manieren voor: als werkwoord -en dan noem je het de Continuous, als zelfstandig naamwoord -dan spreek je van de Gerund, en tenslotte als bijvoelijk naamwoord -en dat noem je dan de Present Participle.
Hieronder behandelen we ze alle drie en op het einde zetten we de verschillen even kort op een rijtje.
Continuous
De Continuous wordt gemaakt met het hulpwerkwoord to be + een werkwoord dat eindigt in -ing.
De Continuous gebruik je altijd als je praat over iets dat op dat moment gebeurt. En dat kan in iedere tijd voorkomen.
[1] Present Continuous
[2] Present Perfect continous
[3] Past Continuous
[4] Past Perfect Continuous
[3] Future Continuous
Klik hier voor de uitgebreide uitleg van de Continuous
De Continuous gebruik je altijd als je praat over iets dat op dat moment gebeurt. En dat kan in iedere tijd voorkomen.
[1] Present Continuous
[2] Present Perfect continous
[3] Past Continuous
[4] Past Perfect Continuous
[3] Future Continuous
Klik hier voor de uitgebreide uitleg van de Continuous
What are you doing?
I've been walking all day.
I was singing in a band last year.
They had been flying for five hours, when the storm broke out.
Next week we'll be walking in Madrid.
Gerund
Als een -ing vorm wordt gebruikt alsof het een zelfstandig naamwoord is, spreek je van een Gerund.
Een Gerund komt op de volgende manieren voor:
[1] als Onderwerp
[2] als Lijdend voorwerp
[3] als Meewerkend voorwerp
[4] na Voorzetsels
Klik hier voor de uitgebreide uitleg van de Gerund
Een Gerund komt op de volgende manieren voor:
[1] als Onderwerp
[2] als Lijdend voorwerp
[3] als Meewerkend voorwerp
[4] na Voorzetsels
Klik hier voor de uitgebreide uitleg van de Gerund
Flying is not at all dangerous.
Running is major part of his life!
He really likes running, he said.
He gives running all of his time.
Then after running he goes swimming as well.
Present Participle
Een present participle, oftewel een tegenwoordig deelwoord, kan op twee manieren voorkomen.
[1] als het -ing woord van de continuous.
[2] als bijvoeglijk naamwoord
[1] als het -ing woord van de continuous.
[2] als bijvoeglijk naamwoord
We are leaving tomorrow.
What an irritating guy.
Summary
En dan alle vormen even op een rijtje:
[1] Continuous
to be + - ing
[2] Gerund
zelfstandig naamwoord
[3] Present Participle
-ing woord van continuous
bijvoeglijk naamwoord
[1] Continuous
to be + - ing
[2] Gerund
zelfstandig naamwoord
[3] Present Participle
-ing woord van continuous
bijvoeglijk naamwoord
She is dancing with me.
She likes dancing.
She is dancing with me.
She is a dancing teacher.
Oefen de -ing vorm
Present/Perfect Continuous: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5
Past/Perfect Continuous: oefening 6 | oefening 7 | oefening 8 | oefening 9 | oefening 10
The Gerund: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5




