De inhoud

Engelse hulpwerkwoorden

Met een Engels werkwoord kun je een zin maar in twee tijden zetten: de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. Voor de overige tijden en vormen hebben de werkwoorden hulp nodig.

Je voelt hem al: dat zijn dus de hulpwerkwoorden. En deze worden daar voor gebruikt:

» to be - to have -  to do
» shall & will - should & would -  can & may -  could & might

To be

[1] met behulp van is, are, was, were plus een werkwoord dat eindigt in -ing maak je de continuous.

Uitgebreide info over de continuous vind je hier.

[2] met behulp van is, are, was, were plus een voltooid deelwoord maak je de lijdende vorm (passive form).

Uitgebreide info over de lijdende vorm vind je hier.
The weather is getting better.
What are you doing?
I was hoping you were coming.
What were you doing yesterday?



The iPod is sold at a discount price.
You lot are warned, you hear!
The Lotus Elise was stolen yesterday.
These songs were made in the sixties.




To have

[1] met behulp van have, had plus een voltooid deelwoord maak je de voltooide tijd (perfect tense).

Uitgebreide info over de voltooide tijd vind je hier.
I've broken my leg, so I can't go on holiday.
After I had bought my new computer, I sold my old one.



To do

[1] met behulp van do en does, maak je vragende zinnen in onvoltooid tegenwoordige tijd (simple present).

Uitgebreide info over de onvoltooid tegenwoordige tijd vind je hier.

[2] En met behulp van did maak je vragende zinnen in de onvoltooid verleden tijd (simple past).

Meer info over de onvoltooid verleden tijd vind je hier.
Do you stay at Peter's?
Do you have a girlfriend?
Does he like her?






Did she tell him?





Shall & Will

[1] met behulp van shall, will plus een werkwoord maak je de toekomende tijd (future tense).

Uitgebreide info over de toekomende tijd vind je hier.

Meer info over het gebruik van shall en will vind je hier.

Shall we go to Venice next holiday?
He will never make it in time.