De inhoud

Present & Past Perfect

De voltooide tijd heet in het Engels de Perfect Tense. Op deze pagina behandelen we de Present Perfect en de Past Perfect.

Present Perfect

Dit heet in het Nederlands de Voltooid Tegenwoordige Tijd. Het wordt gemaakt door het hulpwerkwoord have of has samen met een voltooid deelwoord.

[1] De Present Perfect wordt gebruikt als je het hebt over afgelopen gebeurtenissen die nu nog van belang zijn.

[2] De Present Perfect gebruik je ook als je het hebt over iets dat van lange duur of permanent is. Vaak staat er dan ook een tijdsbepaling bij zoals all my life en for years.

[3] De Present Perfect wordt vaak gebruikt als er nieuws gemeld wordt.

Amerikanen gebruiken hier echter gewoon de Past Simple.

[4] De Present Perfect gebruik je ook bij 'vage' tijdsbepalingen die geen vastomlijnde periode aangeven. Voorbeelden zijn: ever, never, yet, already, since, before, for en just.

Just is overigens een gevalletje apart. De Engelsen gebruiken hierbij de Present Perfect, maar de Amerikanen de Simple Past.





I've broken my leg, so I can't go on holiday.
I've been to many places, but not this one.


My parents have lived in Nottingham all their lives.
He hasn't worked for years.

You have passed your exam.
Fire has broken out.

You passed your exam. (USA)
Fire broke out. (USA)

Have you ever seen an iceberg?
She's never kissed a guy.
Has he phoned you yet?
I've already told her twice.
I'm sure we have met before.

She's just gone out (UK)
She just went out (USA)


Past Perfect

De Past Perfect wordt ook wel Pluperfect genoemd en heet in het Nederlands de Voltooid Verleden Tijd.
Het wordt gemaakt door het hulpwerkwoord had samen met een voltooid deelwoord.

[1] De Past Perfect wordt gebruikt als je het het al over het verleden hebt, maar nog verder terug in de tijd gaat.

[2] De Past Perfect wordt vaak gebruikt bij tijdsbepalingen zoals when, after, as soon as en just.

[3] Na if, if only, wish en would rather verwijst de Past Perfect naar gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden.






I told him that I had forgotten my keys. I could tell from her face that she had seen John.

When Dawn had arrived we left.
After I had bought my new computer, I sold my old one.

If only I had phoned her.
I wish I had said yes.
I would rather you had told me.


The English Tenses

present tense

ACTIVE VOICE  

  past tense


I sell iPods
I am selling iPods
I have sold iPods
I have been selling iPods

I will sell iPods
I will be selling iPods
I will have sold iPods
I sold iPods
I was selling iPods
I had sold iPods
I had been selling iPods

I would sell iPods
I would be selling iPods
I would have sold iPods


present tense

PASSIVE VOICE  

  past tense


iPods are sold
iPods are being sold
iPods have been sold

iPods will be sold
iPods will have been sold
iPods were sold
iPods were being sold
iPods had been sold

iPods would be sold
iPods would have been sold


De tijden Nederlands-Engels

Tegenwoordige tijd

onvoltooid tegenwoordige tijd
voltooid tegenwoordige tijd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
voltooid tegenwoordige toekomende tijd


Verleden tijd

onvoltooid verleden tijd
voltooid verleden tijd
onvoltooid verleden toekomende tijd
voltooid verleden toekomende tijd

Oefen de voltooide tijd

Present Perfect: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5
Past Perfect: oefening 6 | oefening 7 | oefening 8 | oefening 9 | oefening 10